U bevindt zich op:
Maria ten Hemelopneming Kerkstraat 1

Geschiedenis

De stukjes over de geschiedenis van de kerk zijn geschreven door dhr. Cor Koene.

1. Katholieke Landdag

Zeker nog tot in de beginjaren ’50 maakte onze parochie deel uit van Het Rijke Roomse Leven,
een periode van grote bloei, rijk aan kleurige gewaden, rituelen, processies en volle kerken.
Voor Achthuizen en het gehele katholieke deel van eilandbevolking was de Katholieke Landdag
op 14 september 1947 de meest bijzondere gebeurtenis van die periode, nooit eerder
vertoond, een geweldig feest ook, waarover nog jarenlang werd gesproken.
Meer dan 2.000 mensen waren bijeengekomen op het F.I.O.S.-voetbalveld, een vrijwel kale
en zandige vlakte met alleen aan de zijkanten nog wat grassprietjes, volledig plat gelopen door
de schooljeugd.
Via moderne luidsprekers was al het gesprokene voor iedereen te horen. Eén van de
hoogtepunten was de toespraak van de bekende KRO-radio-pater Henri de Greeve over de
naastenliefde. Uitgezien werd ook naar het middeleeuwse spel Elckerlyc, waaraan door vele
jonge Achthuizenaartjes werd deelgenomen.
Op school hadden de broeders van de jongensschool, o.a. Wilhelmo, Ireneus, maar ook
voetbal-broeder Amandus, en de onderwijzeressen De Waal, Segers en Houthuizen van de
meisjesschool het stuk met hun leerlingen grondig ingestudeerd. Op de dag zelf was Anton
Sweers, in die tijd een landelijk bekende regisseur van amateurtoneel, en directeur van de
stichting Ons Leekenspel, naar Achthuizen gekomen om de algemene leiding van het spel op
zich te nemen. Voor de spelertjes – ik was er een van – was het een razend spannende
aangelegenheid. Van het gehele spel herinner ik me niet veel, ik was te veel gefocust op
mijn eigen rol. Alhoewel goed voorbereid, ging er bij mij van alles mis. Nog dagen en weken
daarna zat ik erover in dat dat aan het licht zou komen. Gelukkig was dat niet het geval. Het
was een prachtig kijkspel geweest. We kregen dan ook van alle kanten lof toegezwaaid.

2. De paters De Waal

Tijdens de bloeiperiode van Het Rijke Roomse Leven gingen uit vele families kinderen het klooster in, soms meerdere uit een gezin. Ook in Achthuizen was dat het geval, zo ook bij een gezin van de familie De Waal. Meerdere takken van die familie zijn in Achthuizen bij U allen genoegzaam bekend.
De wortels van de familie gaan ver terug in de tijd. De ons verst in de tijd bekende, laten we hem maar de stamvader noemen, is Hendrick de Wael, geboren rond 1655 in het Zeeuws-Vlaamse Hulst. Eén van zijn kinderen, Johannes, trouwde in 1725 te Bergen op Zoom, en vandaar liep het lijntje door naar de ooit op Flakkee wonende Anthonia Maria de Waal. Zij stierf in 1838, vrij eenzaam, in het in die tijd verre Den Briel. Ze was niet getrouwd, en bijna was haar tak van de familie dan ook uitgestorven. Dat gebeurde echter gelukkig niet, omdat zij in 1836 in Oude Tonge in onecht toch nog een kind op de wereld zette, een zoon, Johannis. Wie de vader van deze jongen was, is onbekend gebleven. Van deze Johannis stammen alle ‘Woaltjes’ af, in Achthuizen, en waar al niet meer….
Intussen zijn we zeven, acht generaties verder. Het aantal nakomelingen van Johannis is de 1000 reeds ver gepasseerd. De uitsterfkans van de familie die bij Anthonia Maria nog levensgroot was, is nu nagenoeg verdwenen. Alleen ik al, getrouwd met een dochter van Hendrina de Waal, heb van die nazaten er 24, zes kinderen en achttien kleinkinderen….
Johannis de Waal trouwde drie keer, in 1861 met Johanna Dekkers, in 1867 met Hendrina Tuns, en op zijn ‘oude’ dag in 1893 met Maria Catharina Heshof. Bij Johanna kreeg hij drie kinderen, waaronder een zoon Jacobus, die in Achthuizen bekend stond als Koosje de Jood. Deze Koosje had een winkeltje. Bij Hendrina Tuns kreeg Johannis vijftien kinderen, waarvan vier zoons voor nageslacht zorgden.
Uit het huwelijk met Johanna Dekkers kwamen uiteindelijk de ‘vrome’ broeders voort. De nazaten van Hendrina Tuns bezaten die vroomheid in mindere mate. Laten we die dan maar gewoon de ‘brave’ broeders van de familie noemen.
Het was uit het gezin van Willem de Waal, zoon van Koosje de Jood, en zijn vrouw Jacoba Maria Houthuizen, dat die ‘vrome’ broeders voortkwamen. Willem, die timmerman was, en ongeveer tegenover het Lesje aan de Galathesedijk woonde, en daar zijn werkplaats had, en Jacoba Maria Houthuizen hadden zeven kinderen, vier jongens en drie meisjes. Eén van die meisjes was Annie, in mijn lagere schooltijd 1946-1953 beter bekend als juffrouw de Waal. Zij was hoofd van de Maria-meisjesschool in Achthuizen. Drie van de jongens, Jacobus, geboren in 1918, Johannes, geboren in 1920, en Wilhelmus, geboren in 1927, zijn pater of priester geworden. Hun kloosternamen waren Paulinus, Radboud en Anselmus.
In 1945 was pater Paulinus al tot priester gewijd, maar wegens de evacuatie en de oorlog kon zijn eerste plechtige mis in Achthuizen pas worden opgedragen op zondag 6 januari 1946.
Op 14 september 1947 deed pater Radboud zijn eerste plechtige mis in de parochie. Zijn broer, pater Paulinus, hield de feestpreek. De kerk – ik was erbij – was prachtig versierd en zat bomvol. Pastoor Dessing vond het jammer dat dit feest werd gehouden op dezelfde dag als de Katholieke Landdag. De parochie moest die dag daarin immers al zoveel energie steken, niet alleen de geestelijkheid, ook de koster, Pietje Pollemans, de misdienaars, de koorleider, Keesje Ceulemans, de zangers, de organist, Jan de Wit, het onderwijzend personeel, en nog een aantal functionarissen, o.a. Toon Houthuizen, belast met de orde in de kerk. Hij droeg bij kerkdiensten en processies een brede sjerp met de woorden Eerbied in Gods Huis, en was verder ‘gewapend’ met een grote lange stok. Wie niet bij de les was, kon daarmee een por krijgen.
De pogingen van de pastoor om het priesterfeest te verzetten hadden geen succes, en zo was er die dag dubbel feest in Achthuizen.
De paters De Waal hebben het in hun leven ver geschopt. Eén is hoofd geworden van de Nederlandse Congregatie van de paters van het Heilig Hart, een ander van de Wereldcongregatie. Op een bepaald moment hebben ze hun functies neergelegd en zijn ze missiewerk gaan doen in Brazilië. Dat was geen risicoloze onderneming. Veel geestelijken daar werden, niet alleen bedreigd met de dood, maar ook daadwerkelijk vermoord in opdracht van de grootgrondbezitters, als ze de plaatselijke bevolking via onderwijs te wijs maakten en derhalve mondiger.

3. De Mariaverering in Achthuizen
Na de oorlog ontketende pastoor Dessing in Achthuizen een bijzondere Mariaverering die destijds diepe indruk maakte op de mensen. De ouderen zullen zich dat nog wel herinneren. Na veel voorbereidend werk werd in mei 1948 een begin gemaakt met een grote rondgang van de Heilige Maagd door het dorp. Het beeld dat gebruikt werd, had de pastoor meegenomen van een bedevaart naar Portugal, het beeld van Maria van Fatima. Gedurende een jaar ging het van huis tot huis, langs 140 gezinnen. Op zaterdagmiddag werd het gebracht, op woensdag werd het opgehaald en bij een ander gezin bezorgd. Om iedereen in dat jaar aan de beurt te laten komen, kregen de laatste gezinnen het slechts één dag in huis. Overal werd het beeld van Maria met bruidjes en bloemen ontvangen. Het was de vader die het een ereplaats gaf in de huiskamer.
Van de lange zegetocht van Maria door de parochie werd in de pers uitvoerig verslag gedaan, vooral door toedoen van de zeer op publiciteit gestelde pastoor. Hij werd uitvoerig in de kranten aan het woord gelaten. Zijn woorden mogen ons nu hoogdravend in de oren klinken, toen vonden ze een gretig gehoor.
‘Op het eiland Goeree-Overflakkee, waar de wateren van onze grote rivieren de golven van de Noordzee ontmoeten, is de Heilige Maagd Maria een jaar lang van huis tot huis gegaan. Voor haar ommegang heeft ze niet het grootste en mooiste dorp gekozen. Ze is geweest in het gehucht dat Achthuizen heet. Hoewel het in de loop van de tijd natuurlijk is uitgegroeid, draagt die plaats nog de naam van het luttele aantal huizen dat er de kern van vormt. Zij heeft er de mensen bezocht die wonen in de kleine huisjes aan de smalle dijk, waar twee auto’s elkaar nauwelijks kunnen passeren. Zij is geweest bij de notabelen van het dorp en bij de armen. Zij is naar de boeren gegaan over de zanderige weggetjes, waarlangs aan weerszijden het koren opschiet uit de klei. Zij heeft de wind horen zingen in de jonge popels, die hier geplant zijn, nadat de bezetter tijdens de oorlog het land onder water heeft gezet. De oude bomen waren door het zoute water verwoest. Zij heeft de regen zien vallen op de grond die drassig werd en vet, de hitte zien trillen boven de velden waar nu de lente ontluikt. Een jaar lang is Maria getuige geweest van het zwoegen van deze mensen die tot de meest geïsoleerde van Nederland behoren. Overal waar zij kwam stonden als in een oude Marialegende twee bruidjes op haar te wachten. Aan de deur van de woning ontving het hele gezin haar met bloemen en kaarsen. Met een hart vol blijdschap en trots heeft de vader het beeld van Onze Lieve Vrouw van Fatima aangenomen uit de handen van de herder van de parochie. Hij heeft het door zijn huis gedragen naar de mooiste plaats op de schoorsteenmantel, op een ouderwetse kast of een modern dressoir. Met bloemen en kaarsen versierd heeft Maria drie dagen lang in dat huis gewoond. Zij heeft er het dagelijks leven meegemaakt en er de intieme sfeer van het gezin leren kennen. Zij heeft allen zien bidden voor haar beeld. En toen zij wist wat deze mensen nodig hadden, heeft zij hen gezegend. De pastoor is haar komen halen en heeft haar dwars door het dorp naar een ander huis gebracht. Weer stonden daar twee bruidjes in het wit, en weer waren er kinderen met blije gezichten en bloemen en brandende kaarsen.’

4. De Mariaverering in Achthuizen (2)

Op 13 mei 1949 werd Maria teruggebracht naar de kerk. Die datum was niet zo maar gekozen. Het was de dag waarop de verschijning van Maria aan de kinderen van Fatima werd herdacht. In de Katholieke Illustratie van 12 juni 1949 werd een grote fotoreportage gewijd aan de terugkeer van Maria naar de kerk. ‘Aan de huizen hingen vlaggen. De molen die anders met grote, langzame wieken de lucht doorsnijdt, stond stil. Van de akkers kwamen de boeren en hun vrouwen, de jongens en de meisjes, om de Moeder Gods in hun dorp rond te dragen.’ Het werd avond – ‘het late licht wierp lange schaduwen over de weg’ – toen vanuit de kerk – ‘die op haar muren nog een streep draagt die aanwijst, hoe hoog het water gestaan heeft tijdens de inundatie’ een grote processie van jeugdverenigingen, verkenners, gidsen en kajotters, de Mariacongregaties en een lange stoet parochianen over Het Lesje naar de familie A. Huijsmans trok om het beeld van Maria op te halen. ‘Boven de wapperende vlaggen uit sloeg een golf van Weesgegroeten over de velden. Er stonden geen mensen langs de weg, heel het dorp trok mee, bruidjes met wuivende palmen, moeders met kinderen op de arm, welpen met een wolf op hun vaandel en boeren met gegroefde gezichten.’ Bij Huijsmans werd het beeld geplaatst op een prachtige met bloemen versierde draagbaar die gedragen werd door vier jonge mannen, en daarna weer in processie door de zingende en biddende parochianen in triomf naar de kerk werd teruggebracht. ‘Men kan zich een grootsere processie denken dan deze eenvoudige stoet van biddende mensen die door hun land gingen dat in de loop van de eeuwen moeizaam aan het water onttrokken is, en eertijds uit niets anders bestond dan uit een aantal platen, slikken, gorzen en schorren, maar er zullen weinig processies zijn zo ontroerend als deze.’ De verslaggever kan er niet genoeg van krijgen: ‘Is het niet treffend dat juist hier Maria wordt rondgedragen, waar de Geuzen begonnen zijn alle uitingen van de katholieke eredienst te verbieden? Waren niet de voorouders van deze mannen de Geuzen die het durfden opnemen tegen de koning van Spanje, en werden op dit eiland niet de gasten geboren die met Tromp en De Ruyter de koningsvloten van Frankrijk en Engeland versloegen, en schatten gingen halen uit oost en west? Dat was in de tijd dat de latere paus Adrianus VI te Goeree pastoor was. Thans is het land streng Calvinistisch en het dorp Achthuizen is een katholieke nederzetting te midden van een protestantse bevolking.’
Toen de processie in de kerk terug was, hebben vertegenwoordigers van heel de parochie, groot en klein, Maria hulde gebracht met bloemen die ze zelf gekweekt hadden. Onder de welvende boog van het dak van de kerk hadden allen het korte gebed uitgesproken dat aan de ingang van het laantje naar de kerk onder het Mariabeeld geplaatst was: Moeder Gods, geef dit eiland welvaart en tevredenheid. De burgemeester van Ooltgensplaat had toestemming gegeven voor de tocht. Omdat men in de gemeente met toch zoveel protestanten moeite had met het Roomse woord ‘processie’, was in de vergunning de term ‘optocht’ gebruikt. In de kerk was na binnenkomst het beeld op de versierde draagbaar tussen de twee helften van de communiebank geplaatst. Na de feestpredicatie door een pater Montfortaan uit Voorschoten werd de parochie toegewijd aan het Onbevlekt Hart van Maria. De parochianen werden bij de toewijding vertegenwoordigd door groepen van vier: vier moeders met vier baby’s, vier jongens en meisjes van de bewaarschool, vier jongens en meisjes van de lagere school, vier kinderen die van school af waren, vier paartjes die officiële verkering hadden, vier soldaten die in Indië waren geweest, vier paar ouders en vier ouden van dagen. Elke groep legde bloemen aan de voet van Maria. Nadat elke groep was toegewijd, wijdde de pastoor tenslotte kapelaan Verbeek en zichzelf toe aan de Moeder Gods. Hij plaatste een prachtige bokaal met rozen aan de voeten van Maria. Het beeld was bijna onder de bloemen begraven. Na de plechtigheid in de kerk trokken alle aanwezigen in een grote lichtprocessie door de tuin en het bos om de kerk en pastorie heen. Omdat het koor en een groot deel van de stoet zich op verschillende plekken rond kerk en pastorie bevonden, was men met het gezang niet meer gelijk. De hilariteit die dat opwekte, werd op zeer ingehouden wijze uitgedrukt. Ik herinner het me nog als de dag van gisteren. Wie herinnert zich dit ook nog?
Bij terugkomst in de kerk – het was al half tien – was het plein voor de kerk met elektrische schijnwerpers verlicht. Het meegedragen beeld van Maria werd geplaatst op een altaar dat daar speciaal voor de gelegenheid was opgesteld. Rondom het altaar waarop intussen de Monstrans met de Heilige Hostie was neergezet, stonden de parochianen met kaarsen in de handen. Na het zingen van Adoro Te en Te Deum, en na de zegen van Het Allerheiligste ook nog het Credo, kwam er een einde aan een bijzondere avond.

5. Mijn schooljaren in Achthuizen (1943-1953)

Toen ik eind 1943 als vierjarige voor het eerst naar school ging in Achthuizen, werd deze door nonnetjes gerund. Ik heb ze maar kort meegemaakt, tot aan onze evacuatie in maart 1944. We gingen in eerste instantie naar Rotterdam, later, begin mei, naar Stedum in Groningen. Over de nonnen, ook wel zusters genoemd, heb ik van mijn moeder vele verhalen gehoord. Ze waren niet bepaald populair. In 1944 vertrokken ze in verband met de evacuatie naar verschillende tehuizen in het land. Ze kwamen niet meer terug. Voorafgaand aan hun vertrek waren er strubbelingen geweest met de pastoor. De gedwongen evacuatie vergemakkelijkte hun beslissing om niet meer terug te komen. In de zomer van 1945 kreeg pastoor Dessing een brief van de Algemeen Overste van de orde, waarin zij de beslissing om niet meer terug te keren toelichtte. Over de strubbelingen werd in de brief niet meer gerept. Zij hield het erop dat tijdens de oorlogsjaren een nijpend gebrek aan religieuze leerkrachten was ontstaan. Het aantal postulanten en novicen, zusters in opleiding, nam sterk af.
De negatieve beslissing werd door de bevolking als een ramp ervaren. Wat nu? Gelukkig slaagde het schoolbestuur, toen nog kerkbestuur, erin snel een oplossing te creëren voor het gerezen probleem. Voor pastoor Dessing was het zelfs een wonderbaarlijke oplossing, want hij zag er de hand in van Onze Lieve Vrouw en de goede Sint Jozef. De broeders van de Christelijke Scholen te Baarle-Nassau, ook wel de broeders van Saint Jean Baptist de la Salle genoemd, zouden vanaf 10 november 1945 het onderwijs in Achthuizen gaan verzorgen.
De komst van de broeders ging met enige veranderingen gepaard. De school werd gesplitst in een jongens- en een meisjesschool. De broeders waren jong en mochten niet aan het Achthuizense vrouwelijk schoon worden blootgesteld. De jongens kwamen onder de hoede van broeder directeur, de meisjes onder juffrouw Annie de Waal, die waarnemend hoofd werd. Broeder directeur was algemeen hoofd van de verdeelde school. Het schoolplein werd in twee stukken verdeeld met een schutting ertussen. Die schutting moet tussen november 1945 en augustus 1946 zijn aangebracht.
Hij stond er toen Cor IJpelaar en ik eind augustus bij de ingang van de school aanbelden om binnen gelaten te worden voor onze eerste schooldag bij broeder Ireneus. Omdat het hard had geregend, hadden onze vaders ons op de fiets gebracht. We woonden aan de Tilsedijk in Zuidzijde. Omdat de mannen zich pas bij de schaft aan hun werk konden onttrekken, waren we zeker een uur te laat.
In de school was het zo georganiseerd dat de jongens door de hoofdingang naar binnen gingen, en de meisjes door de zijingang. De gang die door de hele school liep was met een tussendeur afgesloten. De raampjes aan weerszijden van deze deur waren voorzien van matglas. Door deze maatregelen moesten de meisjes aan het oog onttrokken worden. De jongens saboteerden de maatregel van de schutting door in de voegen tussen de betonnen elementen met spijkers gaatjes te krabben, waardoor ze de meisjes toch konden bewonderen. Vooral na de komst van de zusjes Loes en Sonja Feijen werden er fanatiek gaatjes gekrabd. Deze meisjes woonden voorheen in Indonesië, maar waren na de capitulatie van het Nederlandse leger naar het vaderland teruggekeerd. Vooral Loes met haar exotische uitstraling had veel bekijks.
De broeders betrokken een gedeelte van het Sint Jozefgesticht. De bewaarschool waarin de Duitsers alle banken hadden stukgeslagen – ook de leermiddelen waren vernietigd – werd na het vertrek van de zusters niet meer gebruikt. Na de bevrijding in mei 1945 was het niet mogelijk om meteen weer met een bewaarschool te beginnen. Er waren geen meubels meer, geen leerkrachten, en ook geld ontbrak. Bij het begin van het schooljaar 1947-1948 werd weer een voorzichtig begin gemaakt met een bewaarschool. Als leidster werd aangesteld juffrouw Kee Broeders. Begin 1948 ging de modevakschool van start onder leiding van juffrouw Tiny Pollemans. Sinds de zomer van 1948 werden ook twee lokalen in het gesticht gereserveerd voor het Wit-Gele Kruis. Daar werd het consultatiebureau gevestigd. Dit bureau voorzag in een grote behoefte in het zo kinderrijke Achthuizen.
Hoewel de school al enige jaren gesplitst was, was de scheiding nog niet officieel. Dat gebeurde op 1 januari 1948. De jongensschool heette voortaan Sint Jozefschool, de meisjesschool Onze Lieve Vrouweschool, in de volksmond Mariaschool. Hoofd van de jongensschool was op dat moment broeder Augustinus, hoofd van de meisjesschool juffrouw Annie de Waal. De broeders vertrokken in september 1950, in de ogen van veel parochianen een grote leegte achterlatend. In de korte tijd dat ze in Achthuizen waren hebben ze zich erg geliefd gemaakt, vooral broeder Amandus. Als reden voor hun vertrek werd opgegeven dat er een gebrek aan broeders leerkrachten was. De jongensschool werd na het vertrek gerund door leken-onderwijzers. Er was geen congregatie meer te vinden die bereid was broeders naar Achthuizen te sturen die de zorg voor het onderwijs op zich wilden nemen. Het eerste leken-hoofd van de Sint Jozefschool was S. de Smet. Bij deze zat ik tot en met vrijdag 30 januari 1953 in de klas.

6. De perikelen rond het ontslag van broeder Vincentius

Op 31 augustus 1949 kreeg het kerkbestuur een telegram, waarin aangekondigd werd dat de vestiging van de broeders van de Christelijke Scholen in Achthuizen opgeheven zou worden. Op 22 april 1950 werd dit bericht schriftelijk bevestigd door broeder Johan, provinciaal overste van de Congregatie. De broeders zouden per 1 september 1950 hun ontslag nemen. Broeder Johan sprak zijn dank uit aan het kerkbestuur voor het vertrouwen in de Congregatie en de prettige wijze waarop het bestuur steeds met de broeders had samengewerkt. Hij betreurde het dat door omstandigheden deze samenwerking niet kon worden voort gezet: ‘De mens wikt, God beschikt.
Het bestuur van de Sint Jozefschool, op 10 juni 1950 in vergadering bijeen, aanvaardde het ontslag in de veronderstelling dat het om alle vier broeders ging: broeder Vincentius, directeur broeder Eduardus, hoofdbroeder Eduardus en broeder Amandus. Deze veronderstelling was echter niet juist. Broeder Johan deelde tijdens een persoonlijk onderhoud met de pastoor in juli mede, dat het niet in zijn bedoeling lag om broeder Vincentius per 1 september ontslag te laten nemen, maar dat deze dat pas na de duur van zijn ziekteverlof zou doen, aan het einde van het jaar. Omdat de overste op 1 augustus daar niets meer over had gehoord, nam hij aan dat het bestuur met zijn wens akkoord was gegaan. Dat hij er niet helemaal zeker van was dat zijn boodschap goed was overgekomen, blijkt uit de brief die hij naar Achthuizen stuurde: ‘Na informatie ingewonnen te hebben, is mij mede gedeeld dat het ontslaan van een onderwijzer tijdens het ziekteverlof tegen de Nederlandse wet is, als ook tegen de naastenliefde. Zou het toch gebeuren, dan heeft zo’n man het recht in beroep te gaan, maar daar hoeven wij hier zeker niet aan te denken.’
Dat was echter ijdele hoop, want al na twee dagen kreeg hij bericht dat het bestuur in Achthuizen vast van plan was ook broeder Vincentius per 1 september te ontslaan. Broeder Johan die het recht aan zijn zijde had, en er blijkens onderstaande regels van uitging dat pastoor Dessing het met hem eens was, deed nog een poging om het bestuur tot rede te brengen. In een brief aan de pastoor persoonlijk schreef hij: ‘Tot mijn spijt moet ik uit Uw brief opmaken dat het schoolbestuur van Achthuizen broeder Vincentius niet erg welgezind is. U persoonlijk laat ik er buiten, daar U mij verzekerd hebt hier boven te staan.’
Broeder Johan herhaalde nogmaals dat de handelwijze van het bestuur tegen de wet was, en dat broeder Vincentius, indien nodig, in beroep zou gaan tegen het ontslag per 1 september.
Pastoor Dessing vroeg namens het kerkbestuur advies aan het Centraal Bureau voor Onderwijs en Opvoeding te ’s-Gravenhage. In een toelichting schreef hij, dat het r. k. kerkbestuur niet te spreken was over de weigering van de Congregatie om broeder Vincentius gelijk met de andere broeders ontslag te laten nemen. ‘Van hun belofte om in Achthuizen een r. k. U.L.O.-school te stichten met internaat is helemaal niets terecht gekomen. Bovendien laat de Congregatie door het indienen van ontslag van haar leerkrachten het kerkbestuur volledig in de steek.’
Desgevraagd werd naar het Centraal Bureau een kopie gestuurd van het contract tussen Congregatie en kerkbestuur, benevens de op de zaak betrekking hebbende correspondentie. Daarbij ontbrak het afschrift van de brief van het kerkbestuur naar aanleiding van het schrijven van broeder Johan op 1 augustus, waarin het bestuur, zo schreef het aan het Centraal Bureau, wel degelijk had aangegeven dat wanneer het in dienst houden van broeder Vincentius op wettige gronden niet mogelijk was, dat dan ontslag zou worden verleend.
Op het eind van de brief kwam pastoor Dessing met een nieuwtje: ‘Voor de volledigheid dient nog vermeld dat broeder Vincentius na elders ziekteverlof genoten te hebben, in december 1949 te Achthuizen te werk is gesteld, om daarna per 1 januari 1950 hier weer met ziekteverlof te gaan.’
Een week na dit schrijven kwam het Centraal Bureau met een antwoord: ‘Een wettelijke grond voor het verlenen van ontslag aan broeder Vincentius is niet aanwezig. Wij vrezen daarom dat in het geval Uw bestuur hem ongevraagd ontslag verleent, de Commissie van Beroep dit ontslag zal vernietigen. Voorlopig kan van ongevraagd ontslag dus geen sprake zijn. Uw bestuur zal de broeders moeten overtuigen van de redelijkheid dat ook broeder Vincentius in dit geval ontslag vraagt, althans zeker nadat hij een jaar lang ziek is geweest. Als de broeders niet meewerken, is ongevraagd ontslag eerst mogelijk, nadat drie jaar lang ziekteverlof is genoten. Wij hopen dat het zo’n vaart niet zal lopen.’
Na het vertrek van de broeders uit Achthuizen kwam er op 29 augustus 1950 een brief uit Heesch, geschreven door de administrateur van de Congregatie, broeder Canisius-Servatius, met informatie hoe het verder zou gaan: ‘Wij verzoeken U beleefd het salaris van broeder Vincentius (A. Sombroek) in het vervolg over te schrijven op onze girorekening, daar broeder Vincentius in ons huis verblijft. Broeder Vincentius heeft nog verlof met behoud van volle wedde tot 1 januari 1951. Daarna zou hij nog een jaar ziekteverlof kunnen genieten met behoud van de helft der wedde. Zou hij dan nog niet hersteld zijn, dan kunnen pogingen in het werk worden gesteld om invaliditeitspensioen te krijgen. Ontslag met ingang van 1 september aanstaande is onmogelijk. In verband met het vertrek van de broeders uit Achthuizen zijn onze Oversten bereid reeds nu te proberen invaliditeitspensioen te krijgen. Wegens de vele formaliteiten die daarvoor nodig zijn, wordt het wel minstens 1 januari 1951, eer aan broeder Vincentius ontslag kan worden verleend wegens pensionering.’

7. Achthuizen, terug in de tijd, toen het nog 8huijse was…..

In de periode 1733-1754 werden in het doopboek van de Rooms-Katholieke kerk in Oude Tonge 17 kinderen ingeschreven, 11 meisjes en 6 jongens, geboren in 8huijse. In het overzicht hieronder zijn deze gemerkt met een *.
Van een aantal kinderen van dezelfde ouders is in het doopboek vermeld dat ze geboren zijn in de Plaet. We mogen aannemen dat ook zij in 8huijse geboren zijn, in het rechtsgebied van Ooltgensplaat. We hebben ze ook in het overzicht geplaatst.
*17 october 1733 Adriana, dochter van Gillerius Cornelisz Waapens en Elisabeth Willemsdr van den Broek
*27 november 1734 Wilhelmus, zoon van Gillerius Cornelisz Waapens en Elisabeth Willemsdr van den Broek
*24 maart 1736 Maria, dochter van Petrus Heuvels en Maria van Gilst
*27 mei 1736 Elisabeth, dochter van Gillerius Cornelisz Waapens en Elisabeth Willemsdr van den Broek
*12 november 1736 Anna, dochter van Adrianus Bremdonk en Elisabeth van Ouwenhoove
*14 november 1737 Joanna, dochter van Petrus Heuvels en Maria van Gilst
*28 januari 1738 Henricus, zoon van Wilhelmus Vroghrijck en Elisabeth Heuvels
*8 februari 1738 Wilhelmus, zoon van Gillerius Cornelisz Waapens en Elisabeth Willemsdr van den Broek
30 october 1738 Petronella, dochter van Adrianus Bremdonk en Elisabeth van Ouwenhoove
15 juni 1739 Henrina, dochter van Petrus Heuvels en Maria van Gilst
14 december 1740 Henricus, zoon van Petrus Heuvels en Maria van Gilst
23 April 1741 Jacobus, zoon van Wilhelmus Vroghrijck en Elisabeth Heuvels
*29 juni 1742 Cornelius, zoon van Franciscus Tol en Joanna van Gilst
2 augustus 1742 Theodorus, zoon van Gerardus Winkels en Willemina Jongesoon
*25 februari 1743 Anna, dochter van Hermanus Tol en Cornelia Broekke
*26 september 1743 Maria, dochter van Gerardus Winkels en Willemina Jongesoon
20 november 1744 Maria, dochter van Franciscus Tol en Joanna van Gilst
7 maart 1745 Henricus, zoon van Gerardus Heuvels en Joanna van Stiphout
*8 juni 1745 Joanna, dochter van Gerardus Winkels en Willemina Jongesoon
13 november 1746 Elisabeth, dochter van Franciscus Tol en Joanna van Gilst
*7 april 1747 Petronella, dochter van Gerardus Heuvels en Joanna van Stiphout
*10 juni 1747 Maria, dochter van Joannis Wijne en Elisabeth Heuvels
15 november 1748 Cornelius, zoon van Franciscus Tol en Joanna van Gilst
31 december 1748 Theodorus, zoon van Joannis Wijne en Elisabeth Heuvels
*21 maart 1750 Antonius, zoon van Andreas van Nenette en Adriana Bierstraete
16 juni 1750 Maria, dochter van Gerardus Heuvels en Joanna van Stiphout
7 maart 1752 Anna Maria, dochter van Franciscus Tol en Joanna van Gilst
*14 februari 1754 Henricus, zoon van Gerardus Heuvels en Joanna van Stiphout
*23 februari 1754 Cornelia, dochter van Franciscus Tol en Joanna van Gilst
16 december 1754 Joanna, dochter van Andreas van Nenette en Adriana Bierstraete
20 Juli 1756 Petronella, dochter van Gerardus Heuvels en Joanna van Stiphout
Een aantal van de ouders van deze kinderen woonden in 8huijse, een blokje van 8 woningen, neergezet om seizoenarbeiders te huisvesten. Waar de huisjes precies gestaan hebben, is niet bekend. Ik heb er wel eens een Achthuizenaar over horen praten, maar ik ben zijn naam vergeten. Of de ouders die in het blokje woonden de eerste bewoners waren van 8huijse, weten we ook niet, want we kennen het bouwjaar van de woningen niet.
Het begin van Achthuizen ligt verder terug in de tijd, ruim voor de bouw van 8huijse, maar het had nog niet die naam. Die heeft het te danken aan het in het gebied centraal gelegen blokje.
In de naaste omgeving van 8huijse, verspreid langs de dijken, de Oudelandse, de Galathese en de Bommelse, waren her en der eenvoudige huisjes gebouwd, meestal in blokjes van 2, 3 of 4. Aan die blokjes werden namen gegeven. Zo kennen we de Brak, de Stoof, Schaap, den Ezel, de Geit, de Geer. Deze blokjes vielen onder het rechtsgebied van Ooltgensplaat. De bewoners, voor het grootste deel katholieke arbeiders uit Brabant, maar ook uit andere streken, vormden niet bepaald een hechte gemeenschap. Ook de moraal stond op een laag peil. Geestelijk leiderschap was dringend nodig. Pogingen om tot verbetering te komen werden pas ondernomen na de komst van een aantal katholieke boeren in het eerste kwart van de 19e eeuw, de gebroeders Petrus en Jacobus Jacobs uit Halsteren, Petrus Kamoen uit Westdorpe en Petrus van Bavel uit Steenbergen. Zij kwamen uit gemeenschappen waarin de parochiekerk, en de daarbij horende geestelijke leiding van een pastor, een grote rol speelde in het geestelijke, sociale en culturele leven van de mensen. Zij zagen hoezeer de bevolking van hun nieuwe woongebied toe was aan een gemeenschap zoals zij die gekend hadden. De afstand naar de kerk in Oude Tonge, die lopend moest worden overbrugd, was groot, de wegen waren slecht, vooral in de herfst en winter. Het kerkbezoek was dan ook zeer matig. Alleen voor belangrijke gebeurtenissen, huwelijken en dopen, trok men naar Oude Tonge. Na een lang en moeizaam proces kregen bovengenoemde boeren uiteindelijk hun zin. Eind 1845 kreeg Achthuizen zijn eigen kerk, en kon men beginnen met de ontwikkeling van wat een hechte gemeenschap zou worden.
Van een aantal bewoners die in de 8 huisjes gewoond hebben kennen we de namen:
1. Gillerius Cornelisz Waapens en Elisabeth Willemsdr van den Broek – na 2 generaties uitgestorven
2. Petrus Hendriksz Heuvels en Maria Jansdr van Gilst – 10 generaties nakomelingen tot op heden: 271 directe afstammelingen, 129 eega’s
3. Adrianus Hendriksz Bremdonk en Elisabeth Pietersdr van Ouwenhoove – 10 generaties nakomelingen tot op heden: 586 directe afstammelingen, 273 eega’s
4. Elisabeth Hendriksdr Heuvels, met haar eerste man Wilhelmus Jacobsz Vroghrijck, met haar tweede man Joannis Wijne – na één generatie uitgestorven
5. Franciscus Tol en Joanna Jansdr van Gilst – 10 generaties nakomelingen tot op heden: 1164 directe afstammelingen, 535 eega’s
6. Hermanus Tol en Joanna Broeke – 10 generaties nakomelingen tot op heden: 1434 directe afstammelingen, 658 eega’s
7. Gerardus Winkels en Willemina Jongesoon – 9 generaties nakomelingen tot op heden: 1054 directe afstammelingen, 544 eega’s
8. Gerardus Hendriksz Heuvels en Joanna Pietersdr van Stiphout – na één generatie uitgestorven
9. Andreas van Nenette en Adriana Bierstraete – na één generatie uitgestorven
Als we deze bewoners van 8huijse nader beschouwen, dan valt op dat er tussen een aantal van hen sterke familiebanden waren. Elisabeth Heuvels woonde met haar gezin naast die van haar broers Petrus en Gerardus. De vrouw van Petrus Heuvels, Maria van Gilst, zou een zus van Joanna van Gilst kunnen zijn, getrouwd met Franciscus Tol, maar het bewijs daarvan vergt enig onderzoek. Hermanus Tol en Franciscus Tol waren broers. Elisabeth van den Broek en Joanna Broeke zouden zusters kunnen zijn, maar ook dit moet nog onderzocht worden. De verschillend lijkende spelling van de achternamen zegt niet zo veel. Daar nam men het in die tijd niet zo nauw mee. Een broer van Gerardus Winkels, Johannes, was getrouwd met Magdalena Hendriksdr Heuvels, een zus van Petrus, Elisabeth en Gerardus Heuvels.
Het blokje huizen was zoals gezegd oorspronkelijk bestemd voor seizoenarbeiders. Die kwamen en gingen weer na gedane arbeid, maar de hier genoemde mensen waren getrouwd, kregen kinderen, hadden zich hier duidelijk blijvend gevestigd, een aanwijzing wellicht dat er sinds de bouw van het blokje een flink aantal jaren verstreken was, en dat de mogelijkheden om hier blijvend te wonen in de loop van de tijd sterk verbeterd waren.
Omdat we het bouwjaar van het blokje 8huijse niet kennen, maar aannemend dat het waarschijnlijk geruime tijd voor 1733 is geweest, kunnen we het aantal daar geboren kinderen mogelijk uitbreiden met:
Cornelis, 06-06-1718, Pieter, 22-05-1720, zonen van Gillerius Cornelisz Waapens en Maria Pietersdr Verbeek
Willem, 14-08-1724, Willem, 14-07-1726, Elisabeth, 02-11-1728, kinderen van Gillerius Cornelisz Waapens en Elisabeth Willemsdr van den Broek
Gerardus Winkels is geboren op 13-03-1712 in het Limburgse Broekhuizenvorst als zoon van Derick Winkels en Joanna Kerkens. De ouders van Gillerius Waapens, Cornelis Reijniersz Waapens en Lijsbeth Gileijnsdr Stoffels, kwamen uit Roosendaal. Waarschijnlijk is Gillerius daar geboren. Zijn jongere broer Reijnier is op 19-12-1694 in Oude Tonge gedoopt. De gebroeders Hermanus en Franciscus Tol waren Duitsers. Ze kwamen uit de omgeving van Paderborn.
De huidige Achthuizenaar die onze site niet kent brengt namen als Heuvels, Bremdonk en Tol vast niet in verband met zijn dorpje, maar de kans dat hij van Petrus Heuvels, Adrianus Bremdonk, Franciscus of Hermanus Tol afstamt, is vrij groot. De naam Winkels komt in Achthuizen en naaste omgeving wel veel voor.
Wie wil weten, of hij van dit toch selecte groepje vroege inwoners van 8huijse afstamt, kan contact met me opnemen: cm.koene@ziggo.nl